#04/2020-08-19

voorgaande

terug naar lijst personen versie-7.0

Zuivelhistorienederland.nl

T. Oosterloo 1963 directeur van ACMESA ASSEN

T. Oosterloo - 1/2 - 1963



,,Puur geluk"

‘Ik kwam door puur geluk in de zuivel terecht',  verteld de heer Oosterloo.


‘De Mulo in Oosterwolde was het enige dat mijn ouders financieel konden bieden. Het was een heel beroerde tijd. Ik was zeventien toen ik het diploma haalde.’ - (1932)

‘In de zuivelfabriek van Oosterwolde kon ik aan het werk. Eerst voor niks, als volontair. Maar na een paar weken al voor een rijksdaalder per week. Ik ben van onderaf begonnen: zelfstudie en cursussen van de Koninklijke Nederlandse Zuivelbond - F.N.Z. - voor de vakdiploma's - het is nogal vrij snel achter elkaar gegaan.’


‘Dat hou je je kinderen nu ook wel eens voor. Het gaat nu allemaal veel gemakkelijker. Je maakte toen lange arbeidstijden. Je studeerde in je vrije tijd en je zat ook nog in het bestuur van JVO.’


‘Ik heb een hele goede leermeester gehad, de heer Gorter, een liberaal van de oude stempel. Keihard - dat heb ik van hem overgenomen - en een beste oude baas. Voor congressen en vergaderingen werd het altijd zo geschipperd, dat ik vrij kreeg.

Ik heb daar doorzetten geleerd:  het hoeft niet allemaal even gemakkelijk.’


Acmesa

De jeugdbewegingperiode duurt tot 1938. In 1939 wordt de heer Oosterloo tweede assistentdirecteur van de zuivelfabriek in Opmeer, één van de grootste zuivelfabrieken van Nederland.

De oorlog kwam. Na de oorlog op 15 juni 1946 kwam hij naar Acmesa in Assen als assistent van toenmalige (onlangs overleden) directeur Idema. Hij werd directeur in 1957.


Hij roemt de heer Idema: ‘Er was een heel prettige verhouding tussen ons. Ik heb veel geleerd. Hij gaf je kans je te ontplooien. Bij zijn afscheid ging de directie eigenlijk over van vader op zoon.’

‘Hij kwam ook uit Appelscha, uit ongeveer dezelfde omstandigheden als ik. Ik had een enorme bewondering voor hem. We mochten ook graag over de oude tijd praten, over de dorpstypen - prachtige verhalen.’


,,In de clinch"

Directeur T. Oosterloo, wars van diplomatie, heeft verschillende keren ‘in de clinch gelegen’ met het gemeentebestuur. Hij herinnert zich nog hoe een vroeger burgemeester van Assen bij de opening van de eerste industrie, die zich in Assen vestigde, de hoop uitsprak dat het ook de laatste zou zijn.


Hij kreeg enige moeilijkheden over de tunnel naast de zuivelfabriek, over de uitbreidingsmogelijkheden, hij vertolkte af en toe het onbehagen van de oude industrie over het beleid, dat er alleen op gericht scheen nieuwe industrie te bevorderen.


‘De laatste tijd is er veel begrip gegroeid voor de problemen van de oude industrie’,  zegt hij nu. Hij juicht daarnaast de vestiging van nieuwe industrieën toe: ‘Er is veel meer stille werkloosheid in de landbouw dan je uit de officieel cijfers kunt lezen.’


De tunnel: ‘Ze wilden er eerst een autoweg van maken; de tunnel verbieden voor langzaam verkeer dus, ook voor ventwagentjes en wagens met tractoren. We hebben berekend wat ons dat kostte. Aan tijd alleen al fl. 12.000,-- per jaar. (En tijd wordt steeds duurder).

Bron: Vrije Volk vrijdag 27/12 - 1963


Van een onzer verslaggevers

T. OOSTERLOO (48) - een zware man met brede schouders, blauwe ogen, grijsblond borstelhaar en grote handen: een rusti­ge Fries uit Appelscha.


T. OOSTERLOO: directeur van de 'Asser Coöperatieve Melkinrichting en Stoomzui-velfabriek' (Acmesa) geheelonthouder, lid van de Partij van de Arbeid, gevormd in de beroemde vooroorlogse jeugdbeweging, van onderop begonnen in de zuivel, abonnee op de Handelingen van Eerste en Tweede Kamer en van de gemeenteraadsfractie.


T. Oosterloo: „Ik hou niet zo erg van diplomatie" Men noemt hem wel een lastig man.

Hij zegt met betrekking tot zichzelf: ‘Ik hou niet zo erg van diplomatie. Ik zeg het maar liever rechtstreeks’.

En: ‘Ik kan mét Vondeling (ook uit Appelscha afkomstig) zeggen, dat ik het socialisme niet uit een boekje heb. We hebben het meegemaakt’.

En: ‘Je moet een commerciële basis hebben. Met keihard idealisme kom je met je gat op de keien,’

En: ‘Ik heb geleerd, dat het allemaal niet even gemakkelijk hoeft.’


Zijn vader was dorpstimmerman in Appelscha, het in 1827 gestichte, roerige dorp vol communisten, anarchisten, dienstweigeraars, socialisten. Een Fries dorp, al lag het dan over de Tjonge.

‘Het is een beeld dat je bij blijft. Ik was een jaar of acht en de veenarbeiders staakten. Ik zie nog de soldaten op paarden achter hen aanjagen. En de staking bij de werkverschaffing: ik zie ze nog in de rij staan bij armenmeester Kees Joustra’, verteld de heer Oosterloo.


Hij werd op zijn twaalfde jaar juniorlid van de Jeugdbond voor Onthouding (JVO). Een ‘geleide’ jeugdbond, een bond met een adviesraad van ouderen.  Mr. Bob Agter, de tegenwoordige burgemeester van Assen zat daar in.


'En ik vergeef het hem nog nooit dat hij een wijntje drinkt. De jongeren zijn principiëler gebleven dan zij, die het voorbeeld moesten geven. Dat was een enorme teleurstelling.’


De jeugdbeweging: ‘Vorrink en Banning zijn het werk begonnen, waar wij later mee doorgegaan zijn. We zijn daar gevormd. We hebben er veel geleerd: zelfstandig denken, organiseren, je redden in de wereld…..en er een principe op na houden.’


‘Ik ben altijd geheelonthouder gebleven en met ere. Dat geeft in mijn positie wel eens moeilijkheden.

En als je dan ook nog lid bent van een politieke partij, die niet geacht wordt in de industriële wereld, dan wordt het nog moeilijker, hé.’

De jeugdbeweging: ‘Het had een grote waarde voor ons. We hebben de verplichting dit werk voort te zetten,’ zegt hij en hij verteld over de jeugdherberg in Appelscha midden in 4000 hectare staatsbos: ‘het enige erfstuk van die jeugdbeweging’.

De jeugdherberg is niet aangesloten bij de NJHC. Hij wordt door een stichting beheerd, waar mensen uit de oude jeugdbeweging inzitten. Hij wordt met zijn 160 bedden geëxploiteerd op commerciële basis door een stichting ‘die eigenlijk geen achterland meer heeft.’

Daar schrokken ze wel van’,  verteld hij.

Het werd geen autoweg, ‘ondanks de hardnekkige verdediging van onze wethouder Berger’ werd het zestien tegen zes in de raad.


En hij verteld ook, dat de burgemeester sprak van ‘een pijnlijke vergissing’ dat niet met Acmesa was overlegd en dat de burgemeester Acmesa toen ‘een industrie, die de stad naar waarde weet te schatten’ noemde. ‘Ik ben het niet met al zijn uitdrukkingen eens maar met deze wél natuurlijk’, zegt hij met enige voldoening. Daarna kwam de uitbreiding van de zuivelfabriek aan de orde. ‘We hebben hier zeven á acht miljoen gulden geïnvesteerd na de oorlog. Dat plaats je niet zomaar over naar het industrieterrein’, zegt hij.


Voorlopig resultaat: ‘Na uitvoerige besprekingen is het gemeentebestuur akkoord gegaan met een gezamenlijk onderzoek van de mogelijkheden tot uitbreiding op deze plaats. Samen want natuurlijk heeft het gemeentebestuur...(ontbreek stukje)


Politiek

De heer Oosterloo heeft geen politieke functie. Politiek is voor hem wel ‘een liefhebberij, een vrijetijdsbesteding’. ‘Het is al bijzonder, dat een directeur van een coöperatieve fabriek uitkomt voor zijn politieke richting,’ zegt hij.  


Hij bemoeit zich dus wel met de politiek. En hij ‘zegt af en toe zijn zegje’ op de vergaderingen van de Partij van de Arbeid, die hij bijna allemaal bezoekt. ‘Ik verheug me nu al op het verslag van de raadsfractie’,  zegt hij.


,,Duizendpoot"

Directeur van een coöperatieve zuivelfabriek: ‘je moet een duizendpoot zijn’,  zegt de heer Oosterloo.

 De Acmesa is de enige fabriek, die een veearts in dienst heeft. Het is een fabriek, die bij de aankoop van fokvee bemiddelt, experimenteert met rijdende

melkontvangst, bezig is met een project om de melk meteen op de fabriek te koelen.

‘Er zijn achthonderd boeren in de coöperatie - het is hun bedrijf . Het steeds groter worden van de afstand tussen boer en zuivelfabriek is een probleem, waar ik veel aandacht aan besteed. De algemene vergadering is bij ons geen formaliteit,’ zegt hij.


Hij wijst het streven naar grotere eenheden af: ‘de kleine zuivelfabriek heeft recht op bestaan. Als je een zuivelfabriek uit een dorp weghaalt, verdwijnt een bindende factor. En wat is dat waard? En waar blijft bij grotere eenheden de zeggenschap van de boer?  Het wordt dan ook een ambtenarenzaak,’ zegt hij. Het is - naar hij zegt - een redenatie tegen de stroom in. De stroom is: kleine bedrijven zijn economisch niet meer verantwoord. ‘Maar men weet niet eens of grotere eenheden economisch verantwoord zijn. Men beschikt niet over cijfers. De cijfers, die men heeft - en dat mag u gerust in de krant zetten - dat is een belachelijk beetje. En dat komt omdat men beslist niet kostprijsmindet is in de zuivelindustrie.’


En hij zegt: ‘een zuivelfabriek is economisch anders dan welke industrie ook. Ik moet afzetten naar ik grondstoffen krijg; in de andere industrie koopt men grondstoffen naar men kan afzetten. Dat is een principieel verschil.’


Zuivelbond

‘We moeten er voor zorgen, dat we naast het productiebedrijf ook een krachtige zuivelbond houden. Anders hebben de boeren geen enkele mogelijkheid meer voldoende inzicht te krijgen in de gang van zaken’.


‘We moeten een zuivelbond hebben met gereedschap om te kunnen controleren en adviseren en bond en productie moeten strikt gescheiden worden gehouden. Daaruit kan de boer de zekerheid putten, dat hij de hoogste marktprijs krijgt, die er te halen is. Dat is een levensbelang voor de boer,’ zegt directeur T. Oosterloo.

volgende pagina

Geen venster - hier ophalen - www.zuivelfabrieken.nl

volgende pagina