#Gr/2020-08-24

versie-7.0

voorgaande

versie-7.0

Middelstum - 2/3

Op 31 mei 1899 werd van de sekretaris van het Genootschap van Nijverheid in de provincie Groningen een missieve ontvangen voor een bijdrage inzake een te benoemen zuivelconsulent. De heer J. Huisman werd door het Genootschap benoemd om in zuivelaangelegenheden van advies te dienen.


De fabriek trad toe tot de Zuivelbond voor de provincie Groningen. Op 15 juni 1904 sloot de fabriek zich aan bij de Rijks-Botercontroledienst, zodat zij haar boter van het Rijksmerk mocht voorzien.

De levering van melk nam gestaag toe, zodat in 1903 de varkensmesterij moest worden uitgebreid.


In 1901 had men een overeenkomst gesloten met een firma te Amsterdam voor de bereiding van wrongel, een caseïneprodukt, op bijzondere wijze gefabriceerd, dat wel goede resultaten gaf, maar waarvan de afzet beperkt was. Bovendien leverde de geproduceerde wei een nieuw probleem op, omdat er bij de leveranciers in deze streken geen belangstelling voor was. Ook dit produkt moest dus door de varkens tot waarde worden gebracht.


In 1904 werd na een kortstondig bestaan, de kaasfabriek Warffum-Zuiderhorn geliquideerd en de leveranciers gingen over naar Middelstum. Het ondermelkprobleem bleef dus bestaan en werd zelfs met de dag groter, vooral 's zomers tijdens de grootste melkproduktie.


De varkensmesterij kon niet onbeperkt uitgebreid worden en bovendien was de combinatie met een zuivelfabriek uit zindelijkheidsoogpunt slecht te verdedigen. De wrongelfabricage kon de oplossing niet brengen, vanwege de beperkte afzetmogelijkheid. Kaasbereiding zoals meerdere fabrieken deden, leverde hetzelfde weiprobleem op, terwijl de resultaten bij de bestaande fabrieken in de buurt niet bijzonder bemoedigend waren. Er moest dus een andere oplossing worden gevonden. Tenslotte rijpte bij de direkteur het plan om gecondenseerde melk te gaan fabriceren. Het was bekend dat de weinige bestaande grote bedrijven op dit gebied, daarmee uitstekende resultaten wisten te behalen.

Allerlei gegevens werden verzameld, de mogelijkheid voor een klein bedrijf bekeken en overwogen en er werd een begroting opgesteld. Het bestuur besloot uiteindelijk een voorstel hieromtrent voor te leggen aan de algemene vergadering van aandeelhouders, in de winter van 1905-1906.

Het voorstel was om een condensafdeling op te richten en daartoe een lening van f 10.000,- te plaatsen bij de aandeelhouders à f 25,- per aandeel. Het voorstel werd met grote meerderheid aangenomen, dankzij een vertrouwenwekkend pleidooi van de direkteur en het bestuur.




Dit besluit werd, zoals later zou blijken, van grote betekenis voor de gehele zuivelbereiding in Noord-Groningen.

Nu de beslissing was gevallen kon men aan het werk gaan. De bestaande fabriek, waarin door de jaren heen reeds veel was veranderd, werd opnieuw grondig aangepakt en vergroot


In de week van 20 - 29 oktober 1906 werd de eerste condensmelk bereid. Een condenseur was in dienst getreden. Blikverpakking en suiker werden aangekocht en al spoedig had zich een voorraad condensmelk opgestapeld, doch de verkoop liet op zich wachten, door dat de persoon die daarvoor zou zorgen, teleurstelde.

Omdat de voorraad condens vanwege de dure suiker, waarvan de accijns pas na uitvoer terugontvangen zou worden, alsmede vanwege de dure blikverpakking en het kisthout al spoedig een bedrag vertegenwoordigde dat licht de draagkracht van de N. V. te boven zou gaan, werd de fabricage spoedig weer stopgezet.


Gelukkig kwam er echter begin 1907 vanuit Londen een schrijven binnen waarin mr. O. B. Lagett zich aandiende om als agent op te treden in Engeland, voor de verkoop van gecondenseerde melk. Informaties werden ingewonnen en waren gunstig, zodat de Engelsman

voor een overkomst werd uitgenodigd. Hem werd opgedragen het agentschap voor Londen, dat later werd uitgebreid tot geheel Groot-Brittannië.

Kort na zijn terugkeer in Engeland zag hij kans de voorraad op te ruimen en kontrakten af te sluiten voor geregelde wekelijkse leveringen van 300 kisten magere condens.

De condensfabriek startte opnieuw in maart 1907 en de produktie ging gestaag door, terwijl de financiële resultaten voor een beginner behoorlijk waren. Er wachtte echter een nieuwe teleurstelling, want de condenseur bleek minder geschikt te zijn en moest ontslagen worden. Er moest dus, zonder deskundige bijstand en met nog slechts weinig ervaring verder worden gewerkt, wat met het eigen personeel en dankzij de grote inspanning van de heren Wolters en Zandbergen gelukte.


De kant en klare blikverpakking die werd aangekocht, moest van een konstante goede kwaliteit zijn en kwam van ver, wat problemen gaf. Zodoende werd de noodzaak gevoeld om dit zelf ter hand te nemen. In juni 1907 werd besloten een kompleet stel blikbewerkingsmachines aan te schaffen en op te stellen in een daarvoor speciaal opgericht

gebouwtje, de „blikjesmakerij”.





Zo verliep het eerste jaar, niet met grote winsten vanwege de nog kleine omzet en de hoge bijzondere kosten. Toch was het bevredigend en het ondermelkprobleem was ermee opgelost.


Het 2de halfjaar van 1908 begon onder goede voortekenen. In de condenswereld der groten was een konkurrentiestrijd ontbrand.

Men kwam uiteindelijk tot een overeenkomst, maar Middelstum werd daarin niet betrokken, misschien door onbekendheid of omdat ze te klein was. Het gevolg was echter dat Middelstum aanmerkelijk betere prijzen ging maken, zonder ergens aan gebonden te zijn.


De produktie werd zo hoog mogelijk opgevoerd en er werd tevens een begin gemaakt met de aankoop van ondermelk op basis van de kaasprijzen van de nabij gelegen fabriek te Loppersum. Onder invloed van de langzaam stijgende prijzen van de zuivelprodukten en de daardoor ook hogere melkprijzen was de aanvoer van melk toegenomen. Overal ging men zich meer toeleggen op de melkveehouderij. Niet alleen op de gemengde landbouwbedrijven, doch ook bij de „koumelkers” en de „vetwaiders”, die voorheen in de behoefte aan konsumptiemelk in de dorpen voorzagen en tevens slachtvee weidden.

Ook werden in het begin van de staltijd de melkkoeien langer doorgemolken dan voorheen; een gunstige gelegenheid om op deze wijze het loof van de verbouwde suikerbieten en de pulp van de suikerfabriek produktief te maken.


Verder kwam in zwang, dankzij de gunstige wintermelkprijzen, enkele koeien wat vroeger te laten afkalven.

De kring om Middelstum vanwaar de melk werd betrokken werd steeds groter, ook de aankoop van ondermelk nam toe. In de jaren van 1906 tot 1916 werden er telkens grote bedragen besteed voor uitbreiding van de fabriek. De wekelijkse omzet groeide van 300 naar 3000 kisten condens. De bedrijvigheid nam toe, het personeelsbestand groeide als gevolg van de steeds uitbreidende condensafdeling.

De gecondenseerde melk werd geleverd, door bemiddeling van de agent in Londen, aan grossiers onder hun eigen etiket. Een eigen merk werd nog niet aangedurfd vanwege de extra kosten van registrering, reklame en distributie en vanwege het risico dat werd gelopen wanneer het merk niet slaagde.


Om de aanvoer van suiker, verpakkingsmaterialen en steenkool, en om de expeditie van de produkten doelmatiger te laten verlopen, werd in 1912 de ca. 90 ton metende, zo goed als nieuwe, motorboot „Zeeland” aangekocht.

In het voorjaar van 1909 werd door het bestuur aanvaard om het gehalte aan vet in de melkprijs tot uitdrukking te brengen en door 10 cent per 0,1 procent vet boven of beneden het gemiddelde per 100 kg melk bij te betalen of te korten.

  ▲top

  ▲top

  ▲top

Door de fabriek van Middelstum werd reeds in 1911 een onderzoek ingesteld naar het voorkomen van tuberculose onder het melkvee van haar leveranciers, onder leiding van een rijksveearts. Er werden 1424 koeien getuberculineerd, waarbij aan het licht kwam dat dit euvel in deze streek slechts sporadisch voorkwam.


Als bijzonderheid kan nog worden vermeld dat in 1912, met de voor dat doel opgerichte Maatschappij voor levering van Elektrischestroom te Middelstum, een overeenkomst werd aangegaan voor het produceren van elektriciteit.

Door de Maatschappij werd het dorp van elektrische straatverlichting voorzien, dit duurde tot 1916. De fabriek stond goed in de belangstelling, want op 29 juni 1911 kwam een groep Leden der Eerste Kamer op bezoek. (zie aanvulling aan eind)

Het jaar 1911 dat in een groot deel van Europa bijzonder droog was, had allerwege een tekort aan melk doen ontstaan. De melklevering in Middelstum had daarvan geen nadelige gevolgen, hetgeen een gunstige invloed had op de bedrijfsresultaten. Het ging de vennootschap financiëel bijzonder goed.

Naar buiten merkte men daarvan niet veel; men zag de fabriek wel steeds groeien en de winsten er ook weer in verdwijnen.


In 1913 werd de direkteur, K. Wolters, benoemd tot direkteur van de Leijmpf fabriek te Leeuwarden, op voordracht van de heer W. A. Scholten. De familie was al begonnen met pakken, maar het bestuur van de fabriek te Middelstum wilde haar direkteur niet laten gaan en gaf een forse verhoging van het traktement, waarop de heer Wolters op het allerlaatste moment toch bleef.

In het begin van 1915 had er een overdracht plaats van een 5-tal aandelen op naam van de industrieel W. A. Scholten te Groningen. Tevens werd een 5-tal aandelen van de N.V. uit de nalatenschap van een overleden aandeelhoudster publiek te koop aangeboden. Deze aandelen van f 50,- waarop f 5,- was gestort, brachten ongeveer f 500,- per stuk op, misschien in de verwachting van grote oorlogswinsten, maar het bracht ongeheruitgave rustheid onder de leveranciers. Een ongerustheid die tenslotte zou leiden tot omzetting van de N. V. in een coöperatie. Deze bedrijfsvorm, die oorspronkelijk reeds was bedoeld,

maar niet mogelijk gebleken, zou dan alsnog werkelijkheid worden en het karakter van de boerenfabriek zou bewaard blijven.

In de Eerste Wereldoorlog bleek dat een éénzijdige produktie extra kwestbaar was.


  ▲top

Toen er ook nog een boot op lijn Harlingen - Londen door oorlogshandelingen verging, met o.a. een zending melk uit Middelstum aan boord, werd besloten de bakens te verzetten en op 2 april 1915 werd opdracht gegeven voor het bouwen van een kaasfabriek met een kaaspakhuis.

Ook werd op 2 april besloten en melkpoedermachine aan te schaffen, omdat wel duidelijk werd dat het condensbedrijf bij gebrek aan suiker en blik in de problemen zou kunnen komen.

Op 27 maart 1916 werd de N.V. omgezet in een coöperatieve vereniging.

Voor de definitieve overname van de fabriek hadden de oprichters de eis gesteld, dat minstens 6 miljoen kilogram melk door de toetredende leden ter verwerking zou moeten worden aangeboden.

Het ledenregister werd daarom op bepaalde dagen in verschillende plaatsen ter tekening gelegd, waarvan de meeste leveranciers gebruikmaakten, de minimale eis van 6 miljoen kilogram melk werd bereikt en zo kon de coöperatie haar werkzaamheden voortzetten.


Op 22 april 1916 waren op een vergadering te Middelstum 135 melkleveranciers van de fabriek bijeen die bereid waren als lid toe te treden.

Er werd een bestuur gekozen, bestaande uit:

J. H. Dethmers te Stitswerd

P. B. Goldhoorn te Middelstum

S. Noordhof te Middelstum

K. J. Schuringa te Toornwerd

J. A. Ploegh te Onderdendam


Tevens werd er een Raad van commissarissen benoemd, bestaande uit 10 leden, verdeeld over het uitgestrekte gebied van de nieuwe coöperatie. Op 17 juni 1916 nam de coöperatie de fabriek over.


Overzicht van de melkontvangsten van de N.V.:

Jaar Kg melkontvangst

1896 692.518

1900 929.058

1905 1.673.450

1906 1.817.788

1908 2.711.234

1911 4.370.632

1913 7.202.878

1915 9.085.228


▲top

De zuivelfabriek Middelstum/Bedum


Een gedeelte van het verslag d.d. 1924 van de coöperatieve fabriek voor zuivelproducten aan haar leden


Aan de Leden.


Hierbij hebben wij het genoegen U het verslag over het jaar 1924 aan te bieden.
Tot dusverre was het geen gebruik U een uitgebreid verslag te zenden, doch waar het ons gebleken is, dat velen zeer slecht zijn ingelicht aangaande den gang van zaken in onze vereeniging, komt het ons gewenscht voor U al datgene mede te deelen wat noodig is voor een goede beoordeeling.


Allereerst wenschen wij een kort overzicht te geven van de ontwikkeling van onze vereeniging en haar bedrijf vanaf de oprichting in 1916.

In het jaar 1915 ontstond er een strooming onder de landbouwers, die melk leverden aan de N.V. Stoomzuivelfabriek Middelstum, welke beoogde te geraken tot de oprichting van eene coöperatieve fabriek van zuivel en melkproducten. Men was niet tevreden met de door deze N.V. voor de melk betaalde prijzen, mede omdat de aandeelhouders der onderneming steeds hooge dividenden ontvingen. Daaraan, meende men, moest een einde komen en het mocht inderdaad gelukken te geraken tot de oprichting van eene vereeniging.

De notariële acte werd gepasseerd den 27 Maart 1916. Onderhandelingen, gevoerd met bovenbedoelde N.V., hadden tot resultaat, dat het bedrijf dezer vereeniging werd overgenomen zooals het reilde en zeilde.

In dien tijd was de inrichting der zuivelfabrieken in het Noorden der provincie Groningen in het algemeen zeer eenvoudig. Het meerendeel was alleen ingericht voor boterbereiding, in enkele kon tevens kaas worden bereid. Het meest veelzijdig ingericht was wel het bedrijf te Middelstum, waar men naast boter, ook gecondenseerde melk, melkpoeder en kaas kon fabriceeren. Dit feit had tot gevolg dat men in staat was een hoogen prijs voor de melk te betalen in verhouding tot die van bovenbedoelde meer primitief ingerichte fabrieken. Vooral was de bereiding van gecondenseerde melk van grooten invloed.

Het ledental der Coöperatie te Middelstum groeide snel aan. Een aantal kleine fabrieken in de omgeving werd opgeheven of overgedragen aan de Coöperatie en de leveranciers van deze ondernemingen traden in de meeste gevallen en bloc als lid toe.

Aan het einde van het jaar 1919 beschikte onze vereeniging over een viertal fabrieken en wel te Middelstum, Loppersum, Den Hoorn en Uithuizen.

Opgeheven waren achtereenvolgens de bedrijven van vereenigingen te Leens, Baflo, Usquert, Bedum, Garmerwolde, Winneweer en Loppersum.


Het door onze vereeniging overgenomen bedrijf te Loppersum bleef in exploitatie, zooveel mogelijk als zelfstandige boter- en kaasfabriek. De gebouwen der andere genoemde vereenigingen werden verkocht en kregen alle een andere bestemming.

De fabrieken te Den Hoorn en Uithuizen werden in gebruik genomen resp. in 1915 en 1917 en waren ingericht enkel voor boterbereiding. De daar verkregen ondermelk werd naar Middelstum vervoerd en daar verwerkt tot gecondenseerde melk, melkpoeder enz. Het grootste deel der geleverde melk werd direct te Middelstum aangevoerd.

Het bleek al spoedig, dat de fabriek te Middelstum te klein was en niet voldoende ingericht
voor de verwerking van een zoo groote hoeveelheid grondstof. Daarom stelden bestuur en commissarissen den leden voor over te gaan tot de stichting van een nieuwe,  naar de eischen des tijds ingerichte fabriek. De algemeene vergadering van leden, gehouden den 18 Maart 1919 vereenigde zich met dit voorstel en machtigde het bestuur de vereischte stappen te doen.

Men was van meening dat Middelstum niet de geschikte plaats, zou zijn voor de vestiging van de nieuwe fabriek, hoofdzakelijk omdat deze plaats niet gunstig gelegen is ten opzichte van spoorweg en vaarwater. Een betere plaats achtte men Bedum en het gelukte aldaar een geschikt terrein aan te koopen, gelegen aan de spoorhaven en den provincialen weg.

De bouw van de nieuwe fabriek had plaats onder ongunstige omstandigheden, veroorzaakt door den wereldoorlog. De bouwmaterialen en de benoodigde machines waren zeer duur en dientengevolge waren er groote sommen gemoeid met den bouw en de inrichting. Wel bleek het mogelijk een gedeelte van den inventaris der fabriek te Middelstum te gebruiken, doch dit speelde ten opzichte van het geheel geen groote rol.

De benoodigde gelden werden verkregen door de uitgifte van obligatieleeningen. Men dacht deze te kunnen plaatsen tegen een rente van 5 %, hetgeen evenwel niet geheel gelukte, omdat de rentevoet inmiddels steeg.

Van de 5 % leening, groot 1½ millioen gulden werd geplaatst f 1.203.500 en dientengevolge was het noodzakelijk daarna de inschrijving open te stellen op eene van f 600.000, rentende 6 %. Ook deze werd niet volteekend, er werd geplaatst f 510.000. -

In den herfst van 1919 werd aangevangen met den bouw van de nieuwe fabriek, welke zou moeten worden opgeleverd 1 Januari 1921. Tengevolge van velerlei strubbelingen
kon zij echter eerst den 18 April van dat jaar in gebruik worden genomen.

Geheel klaar waren toen echter noch gebouwen noch inventaris, integendeel. De abnormale verhoudingen in Europa waren oorzaak, dat de aflevering van verschillende machines zeer vertraagd plaats vond.


(Bron: Coöperatieve fabriek van melkproducten te Bedum, verslag over het boekjaar 1929, met overzicht ontstaan fabriek)


 Gegevens

 Hoofdstuk uit Boerderijenboek Middelstum-Kantens -1985


Naam

Beroep

Woonplaats

Aandelen

1

W. J. Dethmers   

landbouwer

Toornwerd

10

2

S. Rooda   

landbouwer

Middelstum

15

3

D. Huizenga   

landbouwer

Anderwereld

20

4

J. A. van Bergen  

landbouwer

 Middelstum

8

5

J. Bulthuis Dzn.  

logementhouder

Middelstum

12

6

P. van Bergen

landbouwer

Middelstum

8

7

B. Perdok   

landbouwer

Westerwijtwerd

8

8

T. J. Wiersma   

landbouwer

Middelstum

10

9

K. Noordhof   

landbouwer

Middelstum

6

10

 K. K. Zijlstra   

olieslager

Middelstum

4

11

B. Zijlstra  

landbouwer

Middelstum

4

12

R. Willemsen

landbouwer  

Westerwijtwerd

4

13

J. Heersema jr.

landbouwer  

Westerwijtwerd

5

14

H. Broekema

 landbouwer

Huizinge

5

15

L. J. Dijkhuis

landbouwer

Toornwerd

5

16

F. B. Venema   

rijksveearts

Middelstum

10

17

J. Veenstra   

commissionair

Middelstum

2

18

H. M. Ubbens   

landbouwer

Middelstum

5

19

C. J. Huizenga   

landbouwer

Stitswerd

6

20

S. Huizenga Tznn   

landbouwer

Oosterburen


21

B. P. Goldhoorn   

landbouwer

Middelstum

7

22

H. P. Boukema   

landbouwer

Stitswerd

8

23

T. E. van Dijk   

apotheker

Groningen

6

24

E. Boukema   

landbouwer

Roodeschool

5

Zuivelfabriek Middelstum


Tijdens de winter van 1893 - 1894 werden plannen gemaakt om tot oprichting van een stoomzuivelfabriek voor Middelstum en omgeving te komen.

Het enthousiasme om deel te nemen was niet algemeen en een fabriek op coöperatieve grondslag bleek niet haalbaar, zodat er voor een N.V. gekozen werd. De aandeelhouders waren verplicht één aandeel te nemen per te melken koe. Na veel vergaderen en na nog meer wikken en wegen, bleken tenslotte 24 melkveehouders bereid om aandeelhouder te worden voor tezamen 179 aandelen van elk f 50,-.


Zo werd vervolgens de N.V. opgericht ingevolge notariële akte van 5 mei 1894.

Naam: De Stoomzuivelfabriek te Middelstum.

Doel: Het oprichten en exploiteren van een stoomzuivelfabriek, benevens de verkoop van de produkten.


De akte van oprichters was getekend door de volgende aandeelhouders:


Het bestuur werd gevormd door:

  J. A. van Bergen voorzitter

  S. Rooda secretaris

  W. J. Dethmers penningmeester

  J. Heersema jr. vice-voorzitter

  J. Bulthuis vice-sekretaris


  ▲top

Tot direkteur werd benoemd de heer K. Wolters te Warffum, timmerman van beroep, doch dikwijls werkzaam bij de zuivelfabriek te Usquert; op voorwaarde dat hij zich onderwijl nader zou bekwamen in een Friese zuivelfabriek; dit gebeurde in de fabriek te Wirdum.


Op 8 maart 1895 was men zover dat de fabriek in werking kon worden gesteld. De totale stichtingskosten hadden f 19.129,52 bedragen.

Wekelijks vergaderde het bestuur onder het genot van koffie en een lange pijp. Het bestuur genoot geen presentiegeld, maar mocht de gemaakte kosten in rekening brengen.

Wekelijks werden de melkprijs, de prijs van de terug te nemen onderprodukten en de boterprijs vastgesteld op basis van de boter- en kaasnoteringen.

De eerste week werd de melkprijs vastgesteld op 3 cent per kilogram. De melkaanvoer bedroeg van 11 - 16 maart 1895: 3472 kg en de boternotering was f 1,-per kg.


De melk werd per kg ontvangen, geleverd aan de publieke weg, vanwaar het door de fabriek werd opgehaald. Met het vetgehalte van de melk werd, zoals algemeen gebruikelijk in die tijd, geen rekening gehouden. Eens in de twee maanden werd het melkgeld uitbetaald, waartoe het bestuur zitting hield in een café te Middelstum. Tijdens de eerste uitbetaling ontlokte dit bij een der leveranciers de kreet: „Is aal dit geld veur mie?"

De produkten die niet door de leveranciers werden teruggenomen, werden in de omgeving

gevent, terwijl voor de boter - het hoofdprodukt - tevens afname werd gezocht in Groningen door middel van depothouders of rechtstreeks door verkoop aan particulieren.

Dit laatste meestal in ter vulling opgezonden potten voor winteropslag.


Omdat niet alles in de buurt te verkopen was, moest er een afzetgebied worden gevonden voor het restant. Voor de boter was dat gemakkelijk, n.l: export. Voor de ondermelk was dat moeilijk en stond men voor de keuze: óf kaas maken, zoals in de meeste fabrieken gebeurde, óf varkens houden, teneinde het surplus tot waarde te brengen.

De keuze viel op het houden van varkens en in 1896 werd er een varkensstal gebouwd op het terrein naast de fabriek.

De eerste varkens werden verkocht voor 18 cent per halve kilo levend gewicht.


Reeds vanaf het begin ging alles naar wens, de financiële resultaten ontwikkelden zich gunstig. De leveranciers, niet verwend door hoge opbrengsten van het melkbedrijf aan de boerderij, waren tevreden met de uitbetaalde melkprijzen. Hier kon de zuivelbereiding aan de boerderij met haar vele beslommeringen niet tegenop. Zodoende besloten tenslotte ook de meest conservatieve veehouders met de oude gewoonten te breken en de melk aan de fabriek te leveren. Veelal was het de boerin die hiertoe aanspoorde, omdat zij bevrijd zou worden van niet lonend en tijdrovend werk.



In 1916 traden toe tot de Coöperatieve Zuivelfabriek Middelstum de leveranciers van de fabriek West-Hunzingo en de leveranciers van de fabriek te Baflo, terwijl eveneens in dat jaar de leveranciers van de fabriek te Usquert toetraden.

Overeengekomen was, dat er ontvangstations voor de melk in Den Hoorn en in Uithuizen zouden worden gebouwd om transportafstanden te overbruggen. Vanaf beide plaatsen ging de melk dan per boot naar Middelstum.


Begin 1919 rijpte onder de melkveehouders en hun leiders in zuivelkringen het denkbeeld om voor geheel Groningen één nieuwe grote condensfabriek op te richten. Zelfs kwam van de voorzitter van de Zuivelbond een voorstel binnen, het werkgebied van de nieuwe fabriek uit te breiden tot Noord-Drenthe. Hierop werd toen niet verderingegaan.

In 1919 sloten de fabrieken van Loppersum en Winneweer zich aan bij de coöperatie te Middelstum. De leden van de ingestelde commissie, belast met het zoeken naar een geschikt bouwterrein voor de nieuwe fabriek, meenden aanvankelijk in Middelstum te moeten blijven. Echter al spoedig begreep men dat de belangen van de te stichten fabriek

daarmee toch niet gediend waren. Beter was het een terrein te zoeken dat zowel aan het spoor, als aan het vaarwater gelegen was en tevens in het centrum van het wegennet van het toekomstige gebied.

De dagelijkse melkaanvoer, de aan- en afvoer van grondstoffen en produkten zouden daarmee ten zeerste gebaat zijn. In Middelstum waren de vervoersmoeilijkheden van goederen die per spoor werden verzonden of ontvangen te groot en te kostbaar door de 's winters dichtgevroren kanalen en de bij opdooi onbegaanbare wegen. Middelstum verviel dus als standplaats.

Toen bleven als geschikte vestigingsplaatsen alleen Winsum en Bedum over. Toen ook de fabriek van Garmerwolde zich aansloot, waardoor de in de toekomst te vervoeren hoeveelheid melk aanmerkelijk groter zou worden, werd aan het bouwterrein voor de te bouwen zuivelfabriek tevens de eis gesteld dat een spooraansluiting op het terrein mogelijk

moest zijn. Winsum viel hierdoor af en Bedum bleef over, waar inderdaad de nieuwe fabriek gebouwd werd op de huidige plaats.


In de nacht (zaterdag) van 9 op 10 april 1921 werd de fabriek te Middelstum bezocht met het doel de Lips brandkast (staat nog in de fabriek te Bedum) te kraken. Dit gelukte echter niet en ook heeft men de daders niet opgespoord.


Op 18 april 1921 was de nieuwe fabriek te Bedum zo ver gevorderd, dat de melk daar voor het eerst geleverd werd en het bedrijf in Middelstum stil kon worden gelegd.


De melkaanvoer in 1920:

Middelstum 6.197.529 kg

Loppersum 3.555.297 kg

Uithuizen 2.844.399 kg

Den Hoorn 2.137.339 kg

Totaal 14.734.564 kg


De melkaanvoer in 1922: 21.154.236 kg


  ▲top

 Ook als pdf bestand in ‘Ontwikkeling Groninger veehouderij’ blz.10 (in nw venster)

 Ook als pdf  Jaarverslag Zuivelfabriek Bedum 1924 (in nw venster)

Middelstum: teksten over historie zuivelfabriek

naar 1e pagina Middelstum Next (right) voorgaande pagina

Geen frame - ga naar - www.zuivelhistorienederland.nl

Next (right) voorgaande pagina