Noord-Holland - Zuivelindustrie introductie
|
|
Zuivelconsulent Dr. L.T.C. Schey meld in de jaarverslagen 1906 - 1911 het volgende:
Van 1883 - 1890 kwamen er 31 coöp. en 4 particulire kaasfabrieken bij
van 1891 - 1900 22 coöp. en 9 part.
van 1901 - 1906 33 coöp. en 5 part. In 1901 zijn het grootste aantal gebouwd n.l.
12. In 1907 komen er ook veel bij,
1 jan 1907 106 kaasfabrieken 87 coöp. en 19 part.
1 jan 1908 122 in werking zijnde kaasfabriekjes en 3 in aanbouw.
1 jan. 1909 125 kaasfabrieken gemiddeld 776000 kg. melk
31 dec. 1911 134 kaasfabrieken, 107 coöp. en 14 part. en 13 een tussenvorm. Twee
werden gesloten en door een vervangen
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
zjb. jaar
|
‘26
|
‘28
|
‘30
|
‘32
|
‘35
|
‘37
|
‘41
|
‘47
|
‘49
|
‘51
|
‘53
|
‘55
|
‘57
|
‘59
|
‘61
|
‘63
|
‘65
|
‘67
|
‘70
|
‘73
|
‘75
|
‘77
|
1985
|
1995
|
2007
|
|
aantal
|
183
|
?
|
211
|
213
|
190
|
?
|
183
|
106
|
82
|
70
|
64
|
62
|
57
|
53
|
44
|
37
|
36
|
24
|
?
|
15
|
9
|
12
|
11
|
9
|
5
|
12. NOORD-HOLLAND, NOG IN 1900 TWIJFEL AAN FABRIEKS-MATIG KAASMAKEN
Bron tekst en foto’s: Boekje “De Bakermat van de Nederlandse zuivelindustrie”
P. Willemsens en K. de Wit 1995
Noord-Holland ten noorden van Het IJ was van ouds een gebied waar op de boerderijen
veel zuivel werd bereid, met name de bolronde Edammerkaas. In het begin der zeventiger
jaren van de 19e eeuw heeft vooral de vereniging Hollandsch Noorderkwartier in
dit gewest pogingen tot oprichting van kaas-fabriekjes gedaan. Een voorman in deze
was Wouter Sluis te Beemster. Hij wordt een idealist genoemd, die zijn tijd ver vooruit
was. Niettemin, in dit aloude kaasgebied bleef het er nog lang traditioneel aan
toe gaan. Vagelijk won wel de overtuiging veld dat men door fabrieksmatige verwerking
van de melk tot een betere toestand zou kunnen komen. Aldus kwamen kleine zgn. dagmelkfabriekjes
voor de kaasfabricage tot stand. In 1890 bestonden er hiervan 31 in dit gebied,
het bedrijfje Nieuw Leven te 't Zand was in 1883 de eerste. Formeel kan men dit geen
coöperatie noemen, maar feitelijk wel. Groepen boeren brachten het stichtingskapitaal
bijeen in een NV, burgerlijke maatschap of ook wel bij onderling contract.
Het stichtingskapitaal van deze kleine fabriekjes bedroeg als regel maar enkele duizenden
guldens. De bedrijfjes waren erg eenvoudig. Het gebouw-tje had meestal de vorm van
een wat langgerekt huis of boerderij. Ook hier gold de voorzorgsgedachte: als de
gezamenlijke kazerij niet slaagt, moet het gebouw ook een andere bestemming kunnen
krijgen. Één der aandeelhou-ders of contractanten, tevens melkleverancier, fungeerde
in deze fabriekjes als directeur en voorzitter. Het aan markt brengen en verkopen
der kaas geschiedde door een andere boer, de zgn. kaasmarkter.
Hoe eenvoudig deze bedrijfjes vaak waren, lezen wij in een overzicht ter gelegenheid
van het 70-jarig bestaan van de fabriek te Assendelft. Een vijftal boeren stichtte
in 1893 dit fabriekje. In het achterhuis van het gebouwtje stonden twee kaastobben
met een grote unster er tussen in. De melk werd daar gewogen en meteen verkaasd.
De kaasmaker woonde in het voorhuis. De kaaswei werd in een nevenstaand hokje voor
leveranciers klaar gezet, waar een lijst hing waarop voor ieder de hoeveelheid was
aangegeven. Vrijdagsavond’s stond er tussen de beide kaastobben een tafel, waarop
de directeur het melkgeld uittelde.
Evenals elders in het land het geval was met de handkrachtboterfabriekjes was de
oprichting van deze kaasfabriekjes niet veel meer dan het verplaat-sen van het handwerk
van het kaasmaken van de boerderij naar een geza-menlijke bereidplaats. De techniek
bleef ongeveer gelijk, al was het wel zo dat door het stichten van deze fabriekjes
moderner bereidingsmethoden vlugger ingang vonden, ten eerste omdat er minder bereidplaatsen
waren, ten tweede omdat men spoedig met kaasmakers te doen had, die hun vak als specialist
uitoefenden. Dat men ook in Noord-Holland in die tijd de verplaat-sing der kaasmakerij
meer in de richting van het "ambacht" dan in die van een "industrialisatie" zag en
er van een algemene samenwerking nog geen sprake was, blijkt wel uit het feit dat
er in verschillende dorpen meer dan één van dit soort bedrijfjes gesticht werd.
Middelie. Ons Belang 1907-1970 1e fabriek.nog in gebruik.


Middelie. Ons Belang in 1955. Het puntje van het oudste gedeelte stak nog boven de
moderne gebouwen uit en was toen nog in gebruik.
Nog in 1901 werd er getwijfeld aan het nut van de fabrieksmatige kaasmakerij. Een
commissie Keestra kwam in ieder geval niet onvoorwaardelijk tot deze conclusie, omdat
er soms grote gebreken waren bij het geldelijk en technische beheer van coöperaties.
Al met al waren er in 1906 in dit gebied toch een 106 kaasfabriekjes, waarvan 86
op onderlinge grondslag en 20 in particuliere handen. Ook toen werd nog geen 42%
van alle kaas fabrieksmatig bereid. Blijkens de grote bijlage in dit boek heeft De
Wit in Noord-Holland in totaal 259 fabriekjes gevonden. Een ontstellend groot aantal.
Aan een plaatselijk zuivelbestuur vroeg hij eens naar een verklaring hiervoor.
Dit was het antwoord: "No, jb, weten jullie wel weerom er in Noord-Holland zo'n barre
zoód fabriekjes weest benne? "No, je hadde vanzelf roomse melk; den hadde je de gereformeerde
melk en verder nog die bar vrijzinnige melk. Deer konne je in dezelfde fabriek toch
nooit gien goeie keis van make".

Dirkshorn. Vereniging tot instandhouding van de zuivelindustrie. 1896-7929. Kaasmakerij
in 1896, Let op de olielampjes en ook op de voorzitter, die rustig een sigaartje
rookt. De kaasbak zonder machine met rechte hoeken.
Benningbroek
Eindelijk, na vele vergeefse pogingen, lukt het in 1913 ook in Bening-broek. In de
originele notulen van die vereniging lezen we: “'t Ware te wenschen dat wij ook een
fabriek hebben, evenals haast alle andere dorpen in onze omgeving. Maar door niemand
werd er een stoot aan gegeven, tot in het laatst van Augustus de Heeren C. Helder
en K. Winkel, briefjes lieten circuleeren tot oproeping eener vergadering bij den
Heer A. Winkel om te geraken tot oprichting eener zuivelfa-briek”.
Dan het gebruikelijke patroon: Men gaat vergaderen. Daarover lezen we in de notulen
nog: “In beginsel werd reeds op die eerste vergadering besloten de vereniging coöperatief
te maken en ook was men het er over eens, de fabriek naar de nieuwste stijl in te
richten, dus twee-maal per dag de melk te leveren en de uitbetaling naar het vetgehalte
der melk te doen plaats hebben”:

Beemster. De Toekomst 1901-1934 In Noord-Holland, boven het Noordzeekanaal, kwamen
drie verschillende typen kaasfabrieken voor. Dit is het zgn. boerderijtype. Wanneer
het mis ging met de vereniging, kon het gebouw door enkele aanpassingen als veehouderij
bedrijf worden ingericht. Dit type was geschikt voor een maximale verwerking van
500.000 kg. melk per jaar tot kaas.
Lutjewinkel
Één van de eerste kaasfabrieken welke modern-industrieel waren opgezet is die te
Lutjewinkel, maar daarvoor moet men ook tot 1916 terug in de tijd gaan. Bij gelegenheid
van het 25-jarig bestaan van het bedrijf heeft de bekende literaire auteur Jan Mens
een gedenkboek over Lutjewinkel geschreven. Qua stijl en aanpak van hoogstaand niveau,
maar voor ons gevoel wat potsierlijk-wijdlopig. Wel vinden we hierin op duidelijke
wijze de aanleiding voor de stichting van een moderne fabriek. De eerste voorzitter
vertelt: “Er bestonden een paar kleine zuivelfabriekjes, maar die haalden nooit het
volle rendement uit melk, zoals dat wel zou kunnen. En voorts waren we overgeleverd
aan willekeur van de speculatieve fabrieken, die wel over ons handelden, doch zonder
ons.”
Deze situatie prikkelde veehouder Blauwboer tot een excursie naar Friesland, waar
hij het idee voor een coöperatieve fabriek opstak en dat in Lutjewinkel besprak.
Tegenover auteur Jan Mens vertelt hij dan: “De vonk sprong over. En op een Donderdag
in Maart in het jaar 1915, toen ik in het café “De Beurs” in Schagen kwam, ontmoette
ik daar Jb. Spaans en D. van der Stok. We praatten een beetje over koetjes en kalfies
en opeens spraken we over een coöperatieve zuivelfabriek We werden het volkomen eens.
Veertien dagen na dato hielden we reeds een vergadering te Barsingerhorn met de besturen
van acht kleine fabriekjes waar een studiecommissie benoemd werd”.

Lutjewinkel voorzijde fabriek 1929
Het is hier niet de plaats om de geschiedenis van Lutjewinkel verder uit te diepen,
volstaan wordt met de constatering dat het met deze kaasfabriek tot de dag van heden
erg goed is gegaan. De eerder genoemde schrijver Jan Mens maakte ook in 1941 een
reportage van het bedrijf. Hij is immens onder de indruk:
“En hier zou ik dichterlijk kunnen worden. Want om zoo'n fabriek te stichten en
steeds grooter te maken, moet men iets hebben van den kunstenaar. Om zoon inrichting
op pooten te zetten, moet men beschik-ken over een benijdenswaardigen vooruitzienden
blik. Verwonderd ging ik die paar dagen van zaal tot zaal en werd getroffen door
de energie en den ondernemingsgeest, die spraken vanuit het kleinste apparaatje
tot de gigantische machines toe...
Op die stellingen vindt de arme kaas al weer geen rust, iederen dag is het een keeren
en wentelen, ik hoor vertellen van halfslag en kwartslag en meer technische termen,
waar ik niets van begrijp. Genoeg zij te weten dat de kaas, na een week geregeld
om en om te zijn gedraaid, eindelijk eenigszins tot rust komt in het kaaspakhuis".

1926 zwarte stip: Dagfabrieken, rode stip; zoetfabrieken
Bron: Boek: Melkunie-Holland - P. v. Druenen “Een begeerlijk produkt” - 1989
Frame - ophalen - zuivelhistorie Noord-Holland